Stan Prinsen bij het oude Vestzaktheater
Stan Prinsen bij het oude Vestzaktheater Foto: Ingezonden

Het jongerencentrum als keerpunt in Stans leven

Stan Prinsen (21) weet wat het is om je nergens thuis te voelen. Gepest op school, teruggetrokken achter een beeldscherm en later worstelend met verslaving. Zijn tienerjaren waren allesbehalve makkelijk, maar het jongerencentrum in Son en Breugel gaf hem iets wat hij nergens anders vond: een plek waar hij zichzelf mocht zijn. Nu is hij daar zelf actief en ondersteunt hij jongeren die zich herkennen in zijn verhaal.

Redactie: Ferrie Smits

Als Stan vertelt over zijn jeugd, doet hij dat zonder omwegen. Geen zelfmedelijden, geen verwijten naar anderen, hij houdt het vooral bij zichzelf. Hij groeide op met een broer met een zware vorm van autisme, waardoor thuis veel aandacht noodgedwongen naar zijn broer ging, maar Stan begreep dat: "Ik trok me terug naar mijn kamer. Ik dacht: focus maar op hem, dan doe ik mijn ding wel." Daar begint Stan zijn verhaal, want achter die stoere gedachte sloop de eenzaamheid onbewust steeds verder naar binnen. Op school werd hij gepest. Vrienden buiten de digitale wereld had hij nauwelijks en de buitenwereld voelde als een plek waarin hij altijd tekortschoot.

"Als je over heel je lichaam onzeker bent, maar niet over je stem, dan is de online wereld perfect"


De PlayStation bood wat het echte leven hem weigerde: erkenning. "Als je wint, zegt het spel: goed gedaan! Die beloning miste ik in mijn leven. Zo ontstond er voor mij een wereld binnen de wereld.” Online had Stan namelijk wel een stem, een identiteit, een plek. Hij werd er ook goed in, zelfs beter dan in voetbal, beter dan wat dan ook op school. "Als je over heel je lichaam onzeker bent, maar niet over je stem, dan is de onlinewereld perfect, want niemand die je ziet." Het klinkt als een oplossing, en dat was het ook, maar wel voor even. Ondertussen groeide de afstand tot alles en iedereen buiten dat scherm, zonder dat hij het zelf doorhad.

Een plek zonder masker
Op zijn zestiende vond Stan het jongerencentrum. Zijn zus tipte hem over een besloten groep voor jongeren die moeite hadden met sociaal contact. Stan was niet enthousiast. Het duurde maanden voordat hij er daadwerkelijk naartoe ging, nadat hij letterlijk door zijn zus ernaartoe werd geduwd. Eenmaal binnen voelde het anders. Hij kon kletsen, spellen spelen, gewoon zijn. "Je maakt contact met mensen, zonder een scherm voor je neus." Geen rollen en geen verwachtingen. Gewoon een avond ergens bij horen, iets wat hij eigenlijk altijd had gewild.

Wat het jongerencentrum bood, was voor Stan iets wat hij nauwelijks kende: ruimte om zichzelf te kunnen zijn. "Hier hoefde ik niets te zijn wat ik niet was." De jongerenwerkers luisterden, stelden vragen en zagen hem staan, gewoon zoals Stan was. Al snel was hij er veel vaker dan nodig en begon te helpen met verschillende activiteiten. Zonder dat hij het zelf zo wil noemen, nam hij een soort voortrekkersrol. "De lampen, de muziek, de sfeer, dat pakte ik gewoon op." Het was de eerste keer dat hij ergens het gevoel had iets bij te dragen dat er echt toe deed. Hij merkte dat hij niet alleen meer voor zichzelf het jongerencentrum bezocht, maar dat hij er ook voor anderen wilde zijn.

Naast het gamen ontdekte Stan helaas ook cannabis en al snel werd het blowen onderdeel van zijn dagelijkse leven: "Ik had het nodig om te slapen, om met mensen in contact te komen en voor alles eigenlijk." Het jongerencentrum bleef de enige uitzondering, de enige plek waar hij niet hoefde te gebruiken, waar het alternatief gewoon aanwezig was: "Hier hoefde ik niets te verdoven. Hier was ik gewoon mezelf, gewoon Stan." 

De crash die alles veranderde
Onder invloed van cannabis viel Stan op zijn twintigste achter het stuur in slaap en reed tegen een boom. Hij stapte uit de auto en zakte op het gras in elkaar. Dat was volgens hem de druppel en hij besloot zich te laten helpen. Wat volgde was een intensief traject in een kliniek, waarin hij moest leren om eerlijk naar zichzelf te kijken. Geen uitvluchten meer, geen verdoving meer, maar de confrontatie aangaan. Stap voor stap begon hij zijn leven opnieuw op te bouwen. Hij leerde omgaan met zijn emoties, leerde praten in plaats van dingen wegstoppen en vond houvast in dingen die voor hem betekenis hebben. “Het proces was niet makkelijk, maar wel nodig." Ondertussen bleef hij het jongerencentrum bezoeken en de jongerenwerkers hielpen hem door een vinger aan de pols te houden en in gesprek te blijven.

"Iemand bij wie je even kunt zitten zonder dat er meteen iets moet"


Van ervaring naar kracht
Waar Stan vroeger vooral bezig was met zichzelf staande houden, kijkt hij nu juist naar anderen. Binnen het jongerencentrum is hij een vertrouwd gezicht geworden, iemand die jongeren aanspreekt, met ze praat en er gewoon is. “Iedereen heeft wel iets waar hij mee zit.” Zijn kracht zit in die herkenning. Niet als hulpverlener op afstand, maar als iemand die ernaast staat. “Ik zie mezelf niet als iemand die het allemaal beter weet. Ik ben meer een soort grote broer. Iemand bij wie je even kunt zitten zonder dat er meteen iets moet.” Hij weet hoe het voelt om jezelf alleen te voelen, maar ook hoe belangrijk het is dat er iemand is die blijft. En misschien is dat wel precies wat hij nu voor anderen probeert te zijn: die ene persoon, op het juiste moment.

Wat opvalt, is de groei die Stan heeft doorgemaakt. Waar hij ooit zelf als zoekende jongere binnenkwam, helpt hij nu ook andere jongeren. Binnen het jongerencentrum krijgt hij de ruimte om zich verder te ontwikkelen. Zijn rol groeit stap voor stap en hij pakt steeds meer verantwoordelijkheden op. Die ontwikkeling blijft niet onopgemerkt: de jongerenwerkers, zijn groei en de manier waarop hij jongeren weet te bereiken. De verwachting is dat hij zich de komende jaren verder kan ontwikkelen binnen het jongerenwerk, stap voor stap richting een volwaardige rol. Waar hij ooit zijn plek zocht in een digitale wereld, is hij nu voor anderen juist een plek in de echte wereld.

Stan
Stan
Stan Prinsen bij het oude Vestzaktheater