
Brand in de kerststal
AlgemeenSon en Breugel - Niet lang geleden hoorde ik een verhaal dat me bijbleef. Het werd verteld door een man die, toen dit verhaal speelde, nog een jochie was en in Son en Breugel woonde. Hij wilde een schaapje maken voor de kerststal thuis en zocht een mooi voorbeeld. In de kerk van Son stond een mooi exemplaar, dat een magische aantrekkingskracht op hem had. Het was 1958. Hij wilde zijn verhaal wel vertellen, maar niet met zijn naam in de krant, zelfs na al die jaren niet. We noemen hem voor dit verhaal Bart, wat dus niet zijn echte naam is.
Redactie: Marc van Beek
Er was in die tijd veel te doen rond de Sonse kerk, die direct na de 2e Wereldoorlog al veel te klein was om het almaar groeiende aantal katholieken een plaats te kunnen geven. Door ontginning van de heide en industrialisatie waren er veel nieuwe bewoners bijgekomen. In de twintig jaar voor de Tweede Wereldoorlog verdubbelde de bevolking van Son, die grotendeels nog katholiek was. Geboortebeperking en gebruik van voorbehoedmiddelen waren soms onbekend en vooral in katholieke kring verboden. Bovendien hanteerde de Katholieke Kerk de verplichting dat iedere gelovige op zondag de kerk moest bezoeken en de mis moest bijwonen. Daarom moest het aantal missen op zondag al in de jaren dertig worden uitgebreid en werden er plannen gesmeed voor de bouw van een nieuwe kerk, die de oude vijftiende-eeuwse kerk zou moeten vervangen. Dat die oude kerk een monumentale waarde had, werd nauwelijks beseft. Het uitbreken van de oorlog leidde tot uitstel van de plannen.
“Ze slaagde erin kostbare voorwerpen en de kruiswegstaties in veiligheid te brengen”
Na de Tweede Wereldoorlog was er weinig animo om actief met de bouwplannen van vóór de oorlog verder te gaan; men was immers druk bezig om het gewone leven weer op te pakken en de schade van de oorlog te herstellen. Ook de kerk en de toren waren in september 1944 beschadigd. De spits van de toren vertoonde enkele gaten en het dak van de kerk was op een aantal plaatsen zwaar gehavend. Het kerkbestuur herstelde de schade aan de kerk, maar liet de schade aan de toren zo lang zitten totdat met de nieuwbouw kon worden begonnen. Vanaf 1953 werden de plannen voor een nieuwe, grote kerk opnieuw uit de kast gehaald en verder uitgewerkt. De in 1958 aangetreden nieuwe pastoor Pulskens zette er de vaart in. Hij vond de oude kerk ‘een versleten puinhoop’ en pleitte voor afbraak. Monumentenzorg was het daar niet mee eens. Intussen werd al wel begonnen met de voorbereidende werkzaamheden voor een nieuwe kerk.
En toen gebeurde het onverwachte: op maandagavond 29 december 1958, even na zes uur, sloeg het noodlot toe. Kapelaan Thüring was op huisbezoek toen hij het brandalarm hoorde. Hij rende naar de kerk, samen met brandweercommandant Lavrijssen, en trof er rook en vlammen aan die vanuit het zangkoor omhoog sloegen. De elektriciteit was uitgevallen, maar ondanks de chaos slaagde men erin kostbare voorwerpen en de kruiswegstaties in veiligheid te brengen.
De brand zelf was, hoe wrang ook, een indrukwekkend schouwspel. De torenspits stond als een vurige, opengewerkte constructie hoog boven het dorp te gloeien. In de wijde omgeving zag men de vlammen, en duizenden nieuwsgierigen trokken naar Son om het spektakel met eigen ogen te zien. Pastoor Pulskens vermeldde in zijn ‘memoriaal’ dat, afgezien van alle tragische omstandigheden, het een prachtige brand was, vele kilometers in de omgeving te zien.
De oorzaak van de brand bleef een raadsel. Er gingen geruchten rond - sommigen wezen naar de pastoor, anderen naar de organist - maar geen enkel spoor hield stand. Feit was wel dat de uitkering van de brandverzekering goed van pas kwam. Die uitkering werd nooit gebruikt voor de herbouw van kerk en toren, maar werd voor de nieuwbouw ingezet. De restanten van de oude kerk werden opgeruimd in 1966, de toren werd van de afbraak gered en in 1975 gerestaureerd.
Terug naar de dagen na kerst 1958. Bart was diep onder de indruk van de kerststal. Als kind dacht hij dat God er vast geen bezwaar tegen zou hebben als hij voor een paar dagen een schaapje zou ‘lenen’ om de stal thuis na te maken.
Toen zijn moeder het schaapje ontdekte en hem vroeg waar hij het vandaan had, hield Bart zijn kaken stijf op elkaar. Zijn moeder ging op onderzoek uit en kwam terug met het verhaal dat hij het schaap had meegenomen uit het winkeltje van Leen Weijdeven, zonder te betalen, en dat zij dat nu alsnog had moeten doen. Bart schreeuwde het uit dat daar niets van waar was: hij had het schaap uit de kerk gehaald! Zijn vader was buiten zichzelf van woede en Bart moest het beestje onmiddellijk terugbrengen. Zittend op de fietsstang bracht zijn vader hem naar de kerk. Vader bleef buiten wachten terwijl Bart het schaapje weer bij de rest van de kudde zette. De kerk was open, maar leeg, zodat hij het ongezien kon terugplaatsen. Nog steeds woedend over de beschuldiging dat hij het schaap zou hebben gestolen, schoof Bart uit baldadigheid een baal stro voor de grote lamp die de kerststal verlichtte. De hele kerk kwam in het donker te staan.
“De restanten van de oude kerk werden opgeruimd de toren werd van de afbraak gered en gerestaureerd”
Kort nadat vader en zoon weer thuis waren, hoorden ze het alarm van de brandweer. De kerk stond in lichterlaaie. Wat er precies was gebeurd, weet Bart niet. Waarschijnlijk had de strobaal vlam gevat door de hitte van de lamp en was er kortsluiting ontstaan.
Hij heeft er nooit over durven praten, tot hij vijftien was en in aanraking kwam met de politie. Met wat klusjes had hij vijftig gulden verdiend, waarvan hij een brommer kocht. Van zijn vader mocht hij daar nog niet op rijden omdat hij nog geen zestien was, maar deed dat toch. Op een nacht, toen hij uit Rooi terugkwam, kreeg hij een vette bougie en moest hij verder lopen. Twee politieagenten met een zijspan hielden hem aan. Ze vermoedden al dat hij nog geen zestien was en droegen hem op zich de volgende dag op het politiebureau te melden en nu zo snel mogelijk naar huis te gaan. Dat kon alleen als ze een steeksleutel hadden om de bougie eruit te draaien, en ja hoor, die hadden ze. Nadat de bougie was schoongemaakt en de agenten waren vertrokken, scheurde Bart met zeventig kilometer per uur naar huis. Ze hadden immers zelf gezegd dat hij zo snel mogelijk thuis moest zijn. Eenmaal thuis ging hij bij een vriend, drie huizen verderop, nog een bordje erwtensoep eten en vertelde dat hij was aangehouden.
De volgende ochtend had zijn moeder al gehoord dat hij zich moest melden op het politiebureau. Bart liet zich niet makkelijk de les lezen en was opnieuw boos op zijn ouders, die hem steeds achter de vodden aan zaten. Daarom besloot hij de agenten te vertellen wat er destijds met de kerk was gebeurd. De agent van dienst reageerde laconiek: hij hoefde er niet over in te zitten, want de schade was allang vergoed. Voor Bart was dat een enorme opluchting. Eindelijk hoefde hij zich geen zorgen meer te maken over de brand in de kerststal. Een bekeuring kreeg hij wel.









