
Van liefde voor Mieke naar zorg voor anderen
AlgemeenSon en Breugel - In het eerste deel van dit verhaal maakten we kennis met Lou Paardekooper, zijn vrouw Mieke en hun leven vol liefde, dat uiteindelijk werd getekend door de ziekte van Alzheimer. Toen Mieke werd opgenomen bij Berkenstaete, kwam Lou daar als echtgenoot en werd vrijwilliger. Niet omdat hij zichzelf bijzonder vindt, maar omdat hij simpelweg zag dat hij iets voor anderen kon betekenen.
Redactie: Ferrie Smits
Er zijn mensen die over vrijwilligerswerk praten alsof het iets groots is, maar voor Lou begon het gewoon. Hij was bij Mieke, zijn vrouw, op de afdeling van Berkenstaete. Zij woonde daar vanwege Alzheimer en hij kwam er iedere dag. Hij zag de bewoners, de medewerkers, de drukte en de kleine momenten aan tafel.
Mieke had speciale voeding nodig. Het kwam uit een pakje. Lou rook eraan, proefde het en vond het verschrikkelijk om dat zijn vrouw te moeten geven. Hij zei tegen een medewerker dat hij het eigenlijk niet te eten vond. Het antwoord kwam lachend: als hij het zo goed wist, mocht hij zelf wel komen koken. Lou hoefde daar niet lang over na te denken.
Sindsdien kookt hij op de afdeling. Niet om zichzelf te bewijzen, maar omdat eten voor hem meer is dan voeding. Eten is geur, aandacht, herinnering en gezelligheid. Een pan soep op het vuur kan een huiskamer veranderen. Aardappels schillen kan een activiteit zijn. Samen aan tafel zitten kan iemand even uit de stilte halen. “Het is zo’n dankbaar werk”, zegt Lou “alleen al om het die mensen naar de zin te maken.” Lou was voormalig kok en eigenaar van restaurant ‘t Kleijn Geluck, dus de keuken was hem niet vreemd.
Wie naar Lou luistert, merkt dat hij bewoners niet ziet als ziektebeelden. Hij ziet mensen. Mensen met een verleden, met gewoontes, met smaken, met humor, met eigenaardigheden. De een praat nog veel, de ander nauwelijks. De een lacht snel, de ander moppert. Voor Lou hoort het er allemaal bij.
Zo vertelt hij onder andere over Henk, een oud-marinier die hielp met aardappels schillen. In het begin ging dat nog goed. Later werden de aardappels steeds kleiner tegen de tijd dat hij klaar was met schillen. Lou vertelt het met zachtheid en een lach. Henk deed mee, had een taak en hoorde erbij. Op zijn manier had hij een aardappel geschild.
Die manier van kijken zegt veel over Lou. Hij kijkt niet alleen naar wat iemand kwijt is. Hij kijkt naar wat er nog wel kan en soms is dat genoeg om een dag anders te maken.
Ook bewoners die niet meer kunnen praten, vergeet hij niet. Soms drinkt hij met iemand een alcoholvrij biertje. Dan wordt er misschien gebromd, misschien niet in duidelijke woorden geantwoord, maar voor Lou is dat niet het belangrijkste. “Op zijn manier waren we aan het converseren”, zegt hij.
Vrijwilligerswerk is bij Lou niet netjes afgebakend. Hij doet wat nodig is en wat past. De ene vrijdag wandelt hij met bewoners in een rolstoel. De andere vrijdag kookt hij kleinschalig met bewoners van de gesloten afdeling.
Er wordt gesneden, geroerd, gelachen en soms gezongen. De radio gaat aan met oude liedjes. Sommige bewoners zingen mee. Anderen vallen even in slaap. “Maar die maken we wel wakker als de soep gegeten moet worden”, zegt Lou met een glimlach. Het gaat erom dat iemand even niet alleen bewoner is, maar gewoon mens tussen de mensen.
Wat opvalt, is dat Lou zich thuis voelt bij Berkenstaete. De zorgmedewerkers noemt hij bijna familie. Als hij binnenkomt, kent hij de mensen en zij kennen hem. Als hij een paar keer per jaar naar Spanje gaat, naar zijn dochter, vragen ze daarna hoe het is geweest. Ze zien zijn bruine gezicht en leven met hem mee. Het is geen eenrichtingsverkeer.
Vrijwilligerswerk klinkt soms alsof de één geeft en de ander ontvangt. Bij Lou ligt dat genuanceerder. Hij doet het voor de bewoners, maar het geeft hem ook iets terug. Voldoening, gezelligheid, ritme en betekenis. Een plek waar hij welkom is.
Na het overlijden van Mieke had Lou kunnen stoppen. Niemand had dat vreemd gevonden. Zijn directe reden om dagelijks naar Berkenstaete te gaan, was weggevallen.
Maar Lou bleef. Niet omdat het verdriet verdwenen was, maar omdat hij daar inmiddels meer had gevonden dan alleen de zorg voor zijn vrouw. Hij had de mensen gevonden en misschien ook een manier om verder te gaan.
Als ik Lou vraag wat hij zou zeggen tegen mensen die twijfelen om vrijwilligerswerk te doen, is zijn antwoord eenvoudig: doen. Niet te veel nadenken, niet te groot maken. Begin ergens. Schenk koffie. Maak een wandeling. Ga naast iemand zitten. Help bij een activiteit. “Er is toch niks fijner dan mensen die het niet zo goed meer kunnen een handje te helpen?” Daarin zit opnieuw zijn nuchterheid. Lou maakt van zorgen geen theorie. Hij doet het gewoon.
Toch is er ook een bredere boodschap in wat hij vertelt. Hij ziet dat familie belangrijk blijft. Een verzorgingshuis hoeft volgens hem niet de hel te zijn, zoals mensen soms zeggen, maar bezoek maakt verschil. Aandacht maakt verschil. Als familie wegblijft, dan pas wordt het moeilijk. Dan pas kan iemand echt verloren raken in de stilte van een kamer of een huiskamer. Lou probeert daar iets tegenover te zetten. Een praatje. Een puzzel. Een grap. Een bord eten. Een stukje zalm voor een mevrouw die daar zo van houdt. Voor buitenstaanders lijken het kleine dingen. Voor bewoners kunnen het hoogtepunten zijn.
Geluk, zegt Lou eigenlijk, is niet alleen iets om te ontvangen. Het is ook iets om door te geven. Dat raakte me misschien wel het meest. Ik zat tegenover een man die zijn vrouw verloor, maar niet de liefde. Die ouder werd, maar niet stilviel. Die zelf genoeg redenen had om achterom te kijken, maar ervoor koos om ook vooruit te blijven kijken. Die niet zegt dat alles makkelijk is, maar wel dat je iets kunt doen.
Lou schrijft inmiddels ook aan zijn eigen verhaal. Over zijn leven met Mieke en de moeilijke jaren met Alzheimer. Over een leven dat volgens hem niet mooier had gekund. Hij leert me dat liefde niet ophoudt waar een ziekte begint en dat verlies niet altijd het einde hoeft te zijn van betekenis. Soms begint er juist daarna iets nieuws.










