Tineke Zulver
Tineke Zulver Foto: Wil Feijen

Tineke Zulver, overlever van het Jappenkamp, werd 100 en viert nog steeds het leven

Algemeen

Son en Breugel - Het is inmiddels alweer twee weken geleden dat Tineke van der Woude-Zulver uit Son haar 100ste verjaardag vierde. Niet alleen deze mijlpaal is bijzonder, maar ook haar verhaal. Ze werd geboren op vier augustus 1926 in Tjimahi, op het eiland Java, Indonesië, destijds Nederlands-Indië. Drieënhalf jaar van haar jonge leven verbleef ze in een Jappenkamp, een onuitwisbare tijd in haar geheugen waar ze nog regelmatig over vertelt, ook op scholen. Om te verwerken, maar ook om aandacht te vragen voor de ‘Vergeten Oorlog’.

Redactie: Ingrid van der Aa

Tijdens het gesprek met Tineke Zulver (“zeg maar Tineke”) vergeet je al snel dat hier een honderdjarige tegenover je zit. Ze oogt bijzonder vitaal, vertelt haar verhaal op een heldere manier en heeft een ijzersterk geheugen.

Je vergeet ook snel waarom je hier eigenlijk bent: om aandacht te besteden aan de feestdag van 4 augustus. Want het is nogal wat, honderd jaar worden. Maar het verhaal neemt al snel een andere wending. Logisch, want bij zo’n respectabele leeftijd blik je samen terug op datgene wat de meeste impact had, in Tinekes geval het verblijf in het Jappenkamp.

Over onze bevrijdingsdag hoor je niets, en dat doet pijn

“In de meer dan tachtig jaar dat het geleden is, deze oorlog, wordt het verhaal maar weinig verteld. Over onze bevrijdingsdag op 15 augustus 1945, de bevrijding van Nederlands-Indië van de Japanse bezetting, hoor je niets”, begint Tineke haar verhaal, “en dat doet pijn.”

Tineke groeide op in Nederlands-Indië, in een gezin met vader, moeder en twee zussen. Haar vader was KNIL-militair, gestationeerd in Cimahi, of in oud-Indonesisch: Tjimahi.

Het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) was het Nederlandse koloniale leger in Nederlands-Indië. Het bestond uit een mix van Europese beroepsmilitairen en lokale inheemse strijders, zoals de bekende Molukse militairen.

“Ik had een heerlijke jeugd, samen met mijn ouders, twee zusjes en een lieve baboe”, vertelt Tineke. Ze staat op en pakt uit een lade een oude foto van een groep schoolkinderen. “Kijk”, wijst ze, “daar zit ik, met die vlechten.” Jonge Tineke oogt gelukkig en groeide op in een fijne omgeving, totdat het noodlot toesloeg begin 1942.

“We hadden in die tijd nog geen tv, maar wel radio, Radio Oranje. We wisten dus van de Tweede Wereldoorlog in Europa, maar hoorden op een gegeven moment, via de NIROM, de Nederlandsch-Indische Radio-Omroep Maatschappij, ook over de plannen van de Jappen om Indië binnen te vallen.”

De inheemse bevolking, die vaak als bedienden werkten, gingen al snel terug naar de kampongs. Na de invasie van de Japanners moesten de ‘blanke’ Nederlanders zich melden. “We moesten ons melden bij een huis in de wijk dat door de Jappen als kantoor was ingericht”, vertelt Tineke, en voegt er tussendoor aan toe: “Wij noemden ze Jappen hoor, dat was nu eenmaal zo.”

Alles achterlaten
“We leefden na de invasie al snel in armoede. Mijn vader was al opgepakt en afgevoerd naar een mannenkamp. Er kwam dus geen salaris binnen. Mijn moeder verkocht zoveel mogelijk spullen.”

Al snel bleek dat de Hollanders in hun huizen alles moesten achterlaten wat ze nog hadden. “We mochten naar het kamp alleen datgene meenemen wat onder een bed paste. We moesten in huizen gaan verblijven met zo’n zesendertig andere bewoners per gebouw. Mensen sliepen op de grond en zelfs op het aanrecht. We hadden geen water. Er was wel een waterput in de tuin. Overdag moesten we buiten blijven, in de brandende zon. Douchen, toilet doortrekken, het kon allemaal niet. De stank in het kamp blijft me nog altijd bij.”

Je nummer moest je op commando in het Japans kunnen opdreunen

Tineke staat weer op en haalt een doos tevoorschijn met kampherinneringen. Een voor een pakt ze de items uit, bijna liefdevol. Tineke is een vrouw die vergeeft. “Zo veel kregen we te eten.” Ze laat een zakje met rijst zien. Het is niet meer dan een handjevol. “Dat was alles voor de hele dag. Verder niets. Heel af en toe kregen we wat stijfselpap. Mijn moeder woog aan het einde van de oorlog nog geen tweeëndertig kilo.”

Even staart Tineke voor zich uit, totdat ze wijst op wat andere voorwerpen uit de doos, een stukje doek en een rode band. Ze pakt het doekje op: “We moesten onze naam en nummer op ons dekentje borduren. Dat nummer, dat ook op de rode band om onze arm stond, moesten we uit ons hoofd kennen, in het Japans. Je moest het op commando, op elk willekeurig moment van de dag, in het Japans kunnen opdreunen. Kon je dat niet, dan volgde er zware straf.”

Bij het uitbreken van de oorlog was Tineke zestien jaar en haar zussen achttien en twintig. In de vrouwenkampen verbleven moeders met hun dochters. Ook jongens tot tien jaar mochten bij hun moeder blijven.
“Na de bevrijding mocht ik even mijn vader zien, die samen met andere mannen bij de poort van ons kamp stond. Ik herkende hem niet, totdat hij mijn naam riep.”

Echte vrijheid was er voor de kampbewoners echter nog niet meteen. “We moesten nog in de kampen blijven; daarbuiten was het te gevaarlijk voor de Hollanders. De inheemse bevolking was door Soekarno opgehitst met propaganda. De Japanners bewaakten ons, maar we kregen wel meer te eten en hoefden niet meer op appel.”

Als kind verwacht je een innig en warm weerzien tussen je ouders. Dat gebeurde niet

Geen innige omhelzing
“Als kind verwacht je een innig en warm weerzien tussen je ouders. Dat gebeurde niet. De eerste ontmoeting tussen hen was afstandelijk, onwennig. Dat deed veel pijn om dat als kind te zien. Ze waren uit elkaar gegroeid, hadden ieder hun eigen verhaal. Daar had ik veel verdriet van. Ze zijn na de oorlog wel bij elkaar gebleven, maar het waren twee beschadigde mensen.”

Na de hereniging met hun vader vertrok het gezin in 1946 naar Nederland. Direct na de oorlog barstte de strijd om Nederlands-Indië los, de gewelddadige onafhankelijkheidsstrijd, ook de Bersiap-periode genoemd.
Honderdduizenden Nederlanders, Indische Nederlanders en KNIL-strijders werden gerepatrieerd naar Nederland. Ze waren niet meer welkom en niet meer veilig in Indonesië.

“Op de boot naar Nederland haalde ik mijn typediploma”, vertelt Tineke trots, “werkte mee aan het samenstellen van de passagierslijst en kreeg daardoor wat privileges. Ik mocht aan tafel eten, terwijl onder in het ruim de mensen dicht tegen elkaar aan zaten en lagen. Het schip was propvol.

Tijdens de reis ontmoette ik Stef van der Meijden. Hij werkte op het schip aan de registratie van de passagiers. Ons schip kwam in maart 1946 aan in Nederland. Stef en ik trouwden in januari 1947. In eerste instantie woonden we met het hele gezin bij mijn grootouders. Ze woonden klein, dus het was behelpen.”

Op de boot naar Nederland haalde ik mijn typediploma

In november 1947 werd Frank geboren en na hem kwamen er nog twee broertjes en een zusje. “De omstandigheden waren niet optimaal. Ik was vermagerd, mijn lichaam had zijn tol betaald en Nederland was een land in opbouw na de Tweede Wereldoorlog. Er was nog veel schaarste. Zo was er bijvoorbeeld geen melk. In de jaren tachtig ben ik gescheiden van Stef. Daarna brak opnieuw een zware tijd aan en kwam ik in de bijstand. Alimentatie was er niet. Jaren later ben ik hertrouwd met Harro van der Woude.

Hij is inmiddels overleden. Ook zijn twee van mijn kinderen overleden. Dat wens je niemand toe, je kinderen overleven. Als je zo oud wordt als ik, dan wordt die kans wel groter. Dat is het nadeel van ouder worden. Ik zou zo nog drie jaar het kamp weer ingaan als ik hiermee mijn kinderen terug zou krijgen.” Het blijft even stil. “Ik huil nog vaak.”

De Vergeten Oorlog
We komen aan het einde van het gesprek en Tineke wil nog wel wat kwijt. De oorlog in Indië mag niet vergeten worden, benadrukt ze nog eens. “We hebben in Nederland op 4 mei de Dodenherdenking en we vieren op 5 mei Bevrijdingsdag sinds het einde van de oorlog met de Duitsers. Over onze bevrijding van de Japanners in Indië op 15 augustus hoor je nagenoeg niets.”
Het is een van de redenen waarom Tineke tot op de dag van vandaag nog actief is als gastdocent op scholen, om daar, vanuit Stichting Gastdocenten WO II Zuidoost-Azië, als ervaringsdeskundige het verhaal te vertellen.

Ze heeft op veel plekken gastlessen en lezingen gegeven, opdat ook die oorlog nooit vergeten wordt. ”Via deze stichting werden de gastdocenten zo’n twintig jaar geleden uitgenodigd door de Japanners om naar Japan te komen. Ik was een van de uitverkorenen om te gaan. Ook daar mochten we ons verhaal doen, wel kort, maar toch. We vlogen eersteklas, verbleven in een luxe hotel en kregen wat van het land te zien. Dat was een bijzondere ervaring. Ik kijk zonder haat naar Japan en de Japanners.”

Dolgelukkig in Cederstaete
Het is niet mis, wat Tineke Zulver in haar honderdjarige leven heeft meegemaakt. Toch is ze altijd positief gebleven. “Je moet blijven kijken naar wat er wél is”, zegt ze glimlachend. “Ieder huisje heeft zijn kruisje. Hoe ga je ermee om, dát is belangrijk. Ik geniet nog enorm van het leven. Ik woon nu ongeveer elf jaar hier in Cederstaete. Het contact tussen de bewoners is heel fijn. We hebben onze koffieochtenden en we kijken naar elkaar om. Onlangs belde een buurman bij me aan met een heerlijke pannenkoek. Een buurvrouw kwam laatst een schaaltje met een lekkere salade brengen.” Tineke glimt van plezier. “Ook ga ik eenmaal per week nog naar de gymclub en ik ben lid van de Met je Hart-groep in Son.”

“Het was een mooie traditie dat de gemeente een boom schonk aan inwoners die de leeftijd van 100 jaar bereikten”

Stichting Met je Hart Son en Breugel organiseert contactmomenten tussen ouderen die nog zelfstandig wonen. De waardevolle ontmoetingen leiden regelmatig tot mooie vriendschappen. “Ik heb daar veel leuke contacten opgedaan”, klinkt het tevreden. “Ondanks alles uit het verleden heb ik een mooi leven met heel veel lieve mensen om me heen.” Op de vraag hoe Tineke haar verjaardag heeft gevierd op vier augustus, antwoordt ze lachend: “Het was fantastisch. Er was van alles voor me georganiseerd, zowel door de bewoners hier in Cederstaete, als door mensen van Met je Hart én natuurlijk door de kinderen en familie”, en tot slot: “Ik zit nog na te genieten!”

Tineke Zulver (100) kreeg een boom als blijvende herinnering
Op 4 dinsdag 4 augustus Vandaag schreef Tineke van der Woude-Zulver een bijzonder stukje geschiedenis. Op haar 100ste verjaardag plantte zij, samen met haar medebewoners, een boom bij haar appartementencomplex. Niet zomaar een boom, maar een blijvende herinnering aan een vrouw die een eeuw aan levensverhalen met zich meedraagt.

Vroeger was het een mooie traditie dat de gemeente een boom schonk aan inwoners die de bijzondere leeftijd van 100 jaar bereikten. Die traditie is inmiddels verdwenen. De medebewoners van Tineke vonden echter dat zij deze bijzondere eer nog altijd verdient en namen daarom zelf het initiatief. Zo krijgt haar honderdste verjaardag een blijvende plek in Son en Breugel.

Na het onthullen van het naambordje bij de boom werd en nog een taart aangesneden, een cadeautje van de Jumbo Son. Samen met haar familie, vrienden en bekende werd er nog een feestje gevierd en gezellig nagepraat.

Tineke Zulver
Tineke van der Woude-Zulver bij haar boom

Mail ons!
Heb je een foutje gezien of heb je een opmerking over dit artikel?
Neem dan contact met ons op: redactie@demooisonenbreugelkrant.nl


Deel dit artikel: