
Column Luc: De oude man
Column ColumnDe oude man zat op een bankje bij de vijver, alleen. Een zacht lentezonnetje scheen in zijn gezicht, streelde het, al koesterend. Een herinnering aan lang vervlogen tijden, toen een warme vrouwenhand zijn gezicht streelde. Een briesje ruiste door het riet, deels nog oude, bruine stengels, deels verse, groene stengels. Hij keek over de vijver, zijn gedachten ver weg. Hij zag de eenden niet, die zich druk snaterend over het water bewogen, op zoek naar eten. Ook de eenzame waterkoet zag hij niet, die wachtte op een partner, om samen een nest te bouwen. De fluitende vogels, een ware symfonie van de natuur, gingen aan hem verloren. Gevangen als hij zat in zijn herinneringen.
Hij schrok op, toen een jong meisje naast hem kwam zitten. ‘Goedemiddag!’ zei ze, vrolijk en opgewekt. ‘Vindt u het leuk als ik even bij u kom zitten?’ Verrast knikte de oude man van ja. Eigenlijk ook wel leuk, dacht hij. ‘Ja, ik zag u al van ver zitten, zo eenzaam en alleen’, vervolgde ze. ‘Eenzaam? Hoe kom je erbij?’ reageerde de oude man. Hij ging er eens even goed voor zitten. ‘Maak je maar geen zorgen over mij’, begon hij. ‘Eenzaam ben ik niet’. De oude man vertelde over zijn leven, dat begon in een klein dorp. Op zoek naar werk kwam hij terecht in Eindhoven, bij een grote gloeilampenfabriek. ‘In de grote stad wonen, dat vonden ons moeder en ik maar niks’, zei hij.
‘Ons moeder, is dat uw vrouw?’ vroeg het meisje. Een waas van verdriet en gemis trok over het gezicht van de man, meteen daarna brak een glimlach door. ‘Hielden jullie veel van elkaar?’ voegde het meisje toe. ‘Zielsveel, elke dag met haar was een geschenk’. Het leven had hen veel gebracht, een liefde die de tijd overbrugde, die zelfs de dood niet kon stoppen. Het leven had hen ook veel gevraagd, vrienden of familieleden die wegvielen, soms zelfs op jonge leeftijd. Ziekte en werkloosheid, die tijden van groot lijden en onzekerheid teweegbrachten. Kinderen hadden ze niet, daar hadden ze geen behoefte aan.
Het meisje knikte begripvol. Zelf stond ze aan het begin van haar leven, het leven waar de oude man haar over vertelde, zo’n leven wilde ze ook wel. ‘Ik moet verder’, zei ze. De oude man knikte, het was goed zo.
De jeugd stond op en ging verder, de toekomst tegemoet. De oude man bleef achter, in zijn verleden, alleen met zijn herinneringen.

