Anton Schutjes
Anton Schutjes Foto: Familie Schutjes

125 jaar Schutjes - een slagersfamilie vertelt

Algemeen

Son en Breugel - Binnenkort bestaat Slagerij Schutjes 125 jaar. Een bijzonder jubileum, zeker voor een familiebedrijf waarin inmiddels de vierde generatie aan het roer staat. Maar wat betekent het eigenlijk om op te groeien in een familie waarin het slagersvak al zo lang wordt doorgegeven? Hoe veranderde het vak door de jaren heen en wat bleef juist hetzelfde?

Redactie: Ferrie Smits

Voor het antwoord op die vragen vroeg Joris Schutjes mij om juist niet naar de slagerij te komen, maar mee te gaan naar het verzorgingshuis waar zijn vader sinds kort woont. Daar ontmoet ik de familie bij wie een belangrijk deel van die geschiedenis nog altijd leeft. Op tafel liggen fotoalbums en oude, handgeschreven formulieren. Wanneer ik vraag hoe je 125 jaar en vier generaties slagersfamilie het beste kunt omschrijven, begint moeder als eerste te vertellen. Al snel vult iedereen aan. De één met woorden, de ander met een veelzeggende glimlach.

De geschiedenis begint bij Antonie Schutjes en Adriana Borghouts, de eerste generatie die het familiebedrijf vanaf eind 1900 tot 1947 vormgaf. In die tijd zag het slagersvak er totaal anders uit dan tegenwoordig. Het dier kwam niet naar de slager, de slager ging naar de boer. Met de fiets werd naar boerderijen gereden om daar dieren te slachten en te verwerken. Het was zwaar lichamelijk werk en vrijwel alles gebeurde met de hand. Daarna moest het vlees worden klaargemaakt en hielp soms het hele gezin mee met bijvoorbeeld inpakken. Ook betalen ging anders. Boeren kwamen soms later, ook op zondag, langs om af te rekenen. Veel gebeurde op basis van vertrouwen. “En dat ging altijd goed”, wordt er aan tafel gezegd.

Vanaf 1947 werd de zaak voortgezet door de tweede generatie: Piet, Karel, Theo en Fien Schutjes. Inmiddels veranderde ook het vak. De slager ging niet meer telkens naar de boerderij, maar levende dieren werden naar de slagerij gebracht, geslacht en verder verwerkt. Dat leverde soms situaties op die tegenwoordig bijna onvoorstelbaar zijn. Zo herinnert de familie zich een koe die ontsnapte en door het dorp rondliep voordat het dier weer kon worden gevangen.

Ook de plek waar het familiebedrijf begon, zag er totaal anders uit dan de winkel van nu. De familie vertelt over het huis aan het kanaal, waar vanuit het woonhuis de slagerij werd gerund. Door die specifieke ligging kwamen ook mensen van boten die in de buurt lagen aangemeerd er hun vlees halen.

Wonen en werken waren nauwelijks van elkaar gescheiden. Bij een eerdere generatie ging dat zelfs zo ver dat opa en oma gewoon bij de kachel in de woonkamer zaten. Kwam er een klant, dan gingen ze naar de winkel om die te helpen en daarna weer terug naar de warmte van de kachel. Juist dit soort kleine verhalen maken tijdens het gesprek duidelijk hoeveel er in 125 jaar veranderd is.

In 1969 kwam de derde generatie aan het roer: Anton Schutjes en Francien Schutjes-van Deursen. In hun tijd volgde opnieuw een grote omslag. Levende dieren kwamen niet langer naar de slagerij. In plaats daarvan werden karkassen aangevoerd. Een halve koe of grote delen van een varken moesten vervolgens volledig worden uitgebeend, uitgesneden en verwerkt.

Daar zat een groot deel van het vakmanschap. Een slager moest het hele dier kennen, weten waar ieder stuk zat en waarvoor het gebruikt kon worden. Uitbenen, uitsnijden, worst maken en vleeswaren bereiden hoorden allemaal bij hetzelfde vak. Anton leerde dat niet alleen thuis. Francien vertelt met trots dat hij ook buiten de familie ervaring opdeed en daar veel praktijkkennis verzamelde. Die kennis nam hij vervolgens weer mee naar Son. Iedere generatie bouwde dus voort op de vorige, maar moest het vak ook zelf leren.

Wanneer Francien over haar eigen jaren in de slagerij vertelt, volgen de herinneringen elkaar snel op. De winkel en het gezinsleven waren nauwelijks te scheiden. Voor openingstijd werd al gewerkt en na sluitingstijd ging het werk gewoon verder. Er werd schoongemaakt, gesneden, voorbereid en ingepakt.

Zelf stond ze volop in de winkel en zelfs tijdens haar zwangerschap werkte ze lang door. Ze vertelt lachend dat de weeën al waren begonnen, terwijl ze nog aan de snijmachine stond. Tegenwoordig nauwelijks voorstelbaar, maar het zegt veel over een tijd waarin de slagerij simpelweg onderdeel van het hele leven was.

Ook klanten hielden zich niet altijd aan openingstijden. Ze kwamen vroeg, liepen soms achterom, en ook op zondag wist men de slager te vinden als dat nodig was. Dat was geen probleem, het hoorde er gewoon bij. Wanneer nieuwe mensen in het dorp kwamen wonen, werden zij zelfs persoonlijk bezocht. Er werd kennisgemaakt, verteld waar de slagerij zat en natuurlijk wat men voor de kersverse dorpelingen kon betekenen. Geen sociale media of digitale reclame, maar gewoon menselijk contact.

Wanneer we over kerst beginnen, worden de herinneringen nog levendiger. Honderden bestellingen werden met de hand opgeschreven. Alles moest worden gesneden, voorbereid, ingepakt en gecontroleerd. Soms ging het werk tot diep in de nacht door. Medewerkers werden thuisgebracht en enkele uren later stond iedereen alweer in de slagerij. Francien vertelt er met ongeloof én plezier over. Het waren loodzware dagen, maar van bitterheid is niets te merken. Er werd verschrikkelijk hard gewerkt, maar ook veel gelachen. Het team was erg hecht.

Ook het assortiment zag er toen anders uit. Kant-en-klare maaltijden waren er nauwelijks. Mensen kookten zelf en vrijwel ieder deel van het dier had een bestemming. Varkenspootjes voor de soep, vlees dat uren moest trekken en grote stukken die thuis werden bereid: de klant wist wat ermee moest gebeuren en de slager wist welk stuk daarvoor geschikt was.

Tussen al dat werken groeiden de kinderen van Anton en Francien op: Joris en zijn zus Gemke Broeckx-Schutjes. Geen van beiden werd gedwongen om de zaak over te nemen. Hun ouders vonden het belangrijk dat hun kinderen zelf kozen welke richting ze op wilden. Joris voelde rond zijn zestiende dat het slagersvak hem toch begon te trekken. Gemke koos een heel andere richting en bouwde een loopbaan op in het ziekenhuis. Toch bleef de band met de slagerij bestaan. Ieder jaar, in het laatste weekend voor de grote vakantie, stak ze samen met haar broer de handen uit de mouwen om de slagerij tijdens de traditionele ‘grotevakantieschoonmaak’ weer helemaal schoon te maken.

Ook dat typeert misschien wel een familiebedrijf: je hoeft er niet iedere dag te werken om er toch bij betrokken te zijn. Vanaf 2007 vormen Joris Schutjes en Jacqueline Schutjes-Verbakel de vierde generatie. Hun verhaal, en vooral de manier waarop zij het bedrijf naar de huidige tijd hebben gebracht, volgt volgende week.

Tijdens ons gesprek kijk ik regelmatig naar Anton. Door zijn dementie praat hij minder dan de anderen, maar afwezig is hij geen moment. Wanneer verhalen van vroeger worden verteld, zie ik herkenning. Wanneer Joris en Jacqueline over de slagerij spreken, zie ik trots. Juist doordat hij minder woorden gebruikt, krijgen kleine gebaren meer betekenis.

Zijn stilte spreekt soms harder dan alle woorden aan tafel. Wat mij tijdens deze ontmoeting raakt, is hoe de familie over het verleden praat. Ik hoor verhalen over ontzettend hard werken, lange werkdagen en nachten waarin nauwelijks werd geslapen. Maar nergens hoor ik spijt. Het was zwaar, soms ontzettend zwaar, maar nooit te zwaar om er nu niet met warmte op terug te kijken.

Ook worden steeds de klanten genoemd. Niet als omzet of aantallen, maar als mensen. Mensen die soms tientallen jaren klant bleven en persoonlijk werden gekend. “Zonder klanten waren wij geen 125 jaar geworden”, wordt er gezegd. Misschien is dat wel een van de belangrijkste antwoorden op mijn vraag hoe een familiebedrijf zo lang kan blijven bestaan.

Aan het einde vraag ik Joris wat het voor hem betekent dat zijn vader en moeder dit jubileum nog mogen meemaken. Hij vertelt daar echt trots op te zijn. Dat het bijzonder is dat zij kunnen zien dat de slagerij er nog altijd is en dat het allemaal goed is gekomen. Op dat moment pakt zijn vader de arm van Joris vast en knijpt er even in. Niemand hoeft uit te leggen wat dat betekent.

Vier generaties lang veranderde bijna alles aan het slagersvak, maar sommige dingen veranderden veel minder. Trots, liefde, vakmanschap en dankbaarheid worden blijkbaar óók van generatie op generatie doorgegeven. Volgende week in het tweede deel: Joris over zijn keuze voor het slagersvak, de overname van het familiebedrijf, de verhuizing naar het 17 Septemberplein en de vraag hoe je een 125 jaar oude ambacht toekomstbestendig houdt.

Mail ons!
Heb je een foutje gezien of heb je een opmerking over dit artikel?
Neem dan contact met ons op: redactie@demooisonenbreugelkrant.nl


Deel dit artikel: