
Ans
Algemeen
‘Zeg Femke, mag ik jou wat vragen?’
‘Natuurlijk mam, altijd.’
‘Mag ik al wat vinden van die tractoren op de snelweg?’
‘Daar vindt heel Nederland al wat van, dus waarom jij niet?’
‘Ik wil niemand voor het hoofd stoten Femke.’
‘Haha, ik dacht dat jij voor de duvel niet bang was?’
‘Dit is anders Femke. Hier zijn nabestaanden die ik niet nog meer verdriet wil doen.’
‘Dat siert je mam, daar zouden meer mensen aan moeten denken.’
‘Hmm, ja hè … dus nog maar even mijn handen niet aan branden, toch?’
‘Nou ja, volgens mij vind jij vóóral dat iedereen zich aan de regels moet houden.’
‘Ja precies! Dus ik snap ook echt niet waarom er nou wordt nagedacht of tractoren wel of niet de snelweg op mogen. Ik heb er voor de zekerheid mijn theorieboek op nageslagen: tractoren mochten al nooit op de snelweg komen.’
‘Heb jij dat boek nog? Waar heb je dat voor bewaard? Das al eeuwen oud.’
‘Hahaha, grappig. Zo oud ben ik ook niet hè. En nou kwam het toch van pas!’
‘Ja oke, en die regel is niet veranderd. Tractoren mogen niet op autosnelwegen komen. Net zo min als fietsers en voetgangers.’
‘Klopt, dus waarom is dat nog een discussie? Bonnen schrijven! Regels zijn regels. En dat geldt ook voor die milieu-moraalridders van Extinction Rebellion.’
‘Ja maar mam, zo’n politiemotor is toch niet opgewassen tegen het geweld van een tractor.’
‘De politie moet zich niet laten wegpesten. Niet door tractortjes en niet door vastgeplakte yuppies.’
‘Pesten is sowieso altijd verkeerd. Dáár vind ik nou eens wat van, mam.’
‘Oh, is het meteen in de eerste schoolweek al raak?’
‘Ach mam, een jongetje dat stottert. Hij had het vorig jaar ook al lastig. Daarom zit ie nou bij mij in de klas. Maar zijn nieuwe klasgenootjes doen gewoon hetzelfde.’
‘Daar mag jij zéker wat van vinden. Ik weet wat! Misschien kun je die nieuwe voetballer uitnodigen. Die ene die in plaats van Joey Veerman bij PSV is gekomen. Die wordt door Feyenoorders gepest omdat ie stottert.’
‘Dat weet ik niet, mam.’
‘Jawel, moet je kijken hoever je komt, of je nou stottert of niet!’
‘Ah, ja, op die manier. Zit wat in … ik zal er over nadenken.’
‘Oh ja, en voor ik het vergeet; ik vind wel écht iets van die grote reclameborden die de gemeente heeft neergezet.’
‘Die stonden er toch al? Ze zijn alleen vervangen.’
‘Wat was er dan mis met die oude? Weet je wel hoeveel licht deze geven. Je zou er maar tegenover wonen.’
‘Ach mam, ze staan toch nog steeds op de rand van het dorp. Dat zijn nou niet direct dichtbevolkte woonwijken.’
‘Het is wel lichtvervuiling, Femke. Dadelijk denkt een vliegtuig nog dat de landingsbaan er begint.’
‘Ja hoor mam! Overdrijven is ook een vak. Als jij die vérstraler boven je schuurtje dan ook eens uitzet ’s nachts!’







