
Column Luc: Mijn kleine grote vriend
Column Column ColumnDe winters zijn stil, zonder mijn kleine grote vriend. Tegen het eind van de zomer, of aan het begin van de herfst, vertrekt hij naar zonniger oorden. De winter, daar heeft hij een hekel aan, aan reizen bepaald niet. Tot ver in het zuiden van Afrika vind je ze terug, tot ze weer teruggaan, naar Europa. ’s Zomers hoor je het markante, krassende geluid, zo kenmerkend voor de kleine karekiet. Ergens tussen het riet zit hij verscholen, je hoort hem wel, maar je ziet hem niet. De kleine karekiet is dan ook een klein, bruin vogeltje (!), die niet opvalt tussen het riet. Soms zie je een stengel bewegen, dáár moet hij zitten, tegen de tijd dat je je verrekijker of camera op die plek gericht hebt, is het vogeltje gevlogen.
Het geluid dat hij maakt (‘krr-krr-kiet-kiet-kiet’) is niet het mooiste, niet als je het vergelijkt met het gezang van de roodborst, of de ronde klanken van de merel. Ook als je een foto van hem ziet, is het niet de schoonheid van zijn verenkleed die opvalt. Misschien is het juist dat wel, dat mij aantrekt. Mooie vogels zijn er in overvloed, mooie zangers ook. Er is er maar één die mijn absolute favoriet is.
Van vroeg in het voorjaar tot laat in de herfst loop ik hoopvol langs menig watertje, waar een rietkraag langs de oever staat. Hoopvol spits ik de oren, in de hoop het karakteristieke geluid op te vangen. Menigeen zal het wellicht herrie vinden, mij klinkt het als muziek in de oren. Soms wordt het geluid overstemd, in ons overvolle, drukke land. Langsrazende auto’s en kwetteraars verhinderen mij een glimp op te vangen van het geluid dat me zo lief is. Een krassende karekiet, het is alsof het leven me toezingt, alsof het me wil zeggen dat het zo slecht nog niet gesteld is. Niet met mij, niet met de wereld, niet met de natuur. Ik heb die geruststelling nodig, verlang ernaar. Zeker ’s winters, als de natuur in rust is, in afwachting van betere tijden.
Het moment zal weer komen, als ik langs de vijver in Sonniuspark loop, of langs een ven of sloot, ergens in een afgelegen natuurgebied, leeg qua mensen maar vol van rust. Als ik de constante stroom van gekwetter hoor, zal ik hem herkennen, zal ik hem verwelkomen.
Dan weet ik dat hij weet terug is: mijn kleine grote vriend.







